Ik heb je ondertussen van alles gemaild, gestuurd. Verhalen en gedichten. Eigenlijk alleen maar over mijn Lust en mijn Liefde voor jou. Is dit het enige wat ik voor je voel? Ben ik nooit eens ‘pissed’? Echt wel! Vanuit die emotie rammelde dit verhaal in ‘bits and pieces’ over mijn toetsenbord. Het zijn meer flarden van gedachten, geredigeerd tot één verhaal, tenminste, een verwoede poging.
Wat er aan vooraf ging….
We zitten aan de keukentafel. Allebei verbaasd, teleurgesteld. Angstig en onzeker over de gevoelens die we losmaken bij elkaar. Kijk me dan aan, als je durft.
Ik was verkeerd bezig. Jij was ook niet eerlijk. Ach, we zijn allang het punt van verwijten voorbij. Hoe nu verder? We weten het niet. We willen het niet weten. De gevolgen van onze vergissingen, onze misvattingen, onze onkunde, als het om relaties en gevoelens gaat, zijn altijd pijnlijk. Zoals deze stilte.
Ik schaam me ook de ballen uit mijn broek. Ik voel me een zwak, zielig mannetje, die geen grip heeft op zijn emoties. Mag het, joh? Niets menselijks is mij vreemd, ook al wil en durf ik dat niet toe te geven.
Je voelt je een kutwijf. Terecht. Ik voel me genaaid. Ook door mezelf; door die waas en onwetendheid die verliefdheid heet. Ik ben boos. Ik kook van binnen. Boos op jou? Nah, maar je bent nu wel het onderwerp, of beter, het lijdend voorwerp. Ik wil hiervan niet het slachtoffer zijn, al voel ik me wel zo.
Je bent de Mijne…
We zwijgen nog steeds. Ik kook van binnen. Ik zie hoe rot je je voelt. Je bent hard voor jezelf, en zacht voor mij. Trut! Zo kan ik toch niet kwaad worden. Vind je lief, vind je oneerlijk. Je wilt onvoorwaardelijke Liefde, maar gelooft er niet in. Snap jij het? Wees nou eens stronteerlijk. Noem me een laffe hond en wijs me de deur!
Nee; en ik zelf dan. Laat me niet lachen. Lul, doe dan! Doe wat je ziel vanuit de diepste krochten van je zieke ‘Zijn’ gilt!
Ik sta op en pak je bij je nek. Ga staan. Geen geliefden meer. Je hebt je hart gesloten voor mij, en de schuif op deur gedaan. Voor mij? Of om je onzekerheid te verbloemen ooit te voelen voor een ander dan alleen je kroost. Ik vergeef je, ik vergeef mezelf, alleen als ik ook stronteerlijk kan zijn.
Ik zoen je. Je stribbelt tegen; niet nu. Wat ik van je wil? Je lijf. Je mond, je heerlijke zoete kutje. Dat strakke kontje. Niet je ziel; nooit gewild. En je hart krijg ik niet.
Geef me je Lust, geef me je lichaam. Zo niet, dan zal ik het nemen. Dat is het enige wat ik zal nemen van je.
Dit wil je niet. Hier zit je nu niet op te wachten. Je hoofd zit vol met andere gedachtes. Schuld, teleurstelling, boosheid. Jammer dan. Voor mij geldt het zelfde.
Ik trek je omhoog en duw je over de keukentafel. Zo ongegeneerd, vernederend, zonder acht te slaan op jouw weerzin. Ik bijt in je nek terwijl ik je truitje omhoog doe. Je biedt nog steeds weerstand. Je sist me allerlei verwensing toe. Zachtjes, want je wil de kinderen niet wakker maken.
Je probeert me van gedachte te laten veranderen;ze zouden zomaar naar beneden kunnen komen. Ik vertrouw op Klaas Vaak en duw je tegen de tafel. Ik maak je broek los. Je duwt, krabt me. Meer in gevecht met je kleren dan met mij. Als je mij van je af wilt hebben, zou je dat lukken. Jij bent sterk genoeg; ik gebruik mijn kracht, geen geweld. Dat weet je. En toch, ik slaag erin je uit die strakke spijkerbroek te krijgen. Je hijgt. Moe van de strijd. Doe dan, klootzak.
Ik pak je polsen en bind ze samen aan één tafelpoot met een verdwaalde stropdas. Ik stop een punt van de theedoek in je mond. Gil maar, de kinderen horen niks. Ik ruk de riem uit mijn broek en sla met één beweging op je kont. Hard, maar ik houd me nog in. Twee tellen. Dan zoek ik de cadans voor tien slagen. Tot je billen gloeien. Rood, niet meer dan dat.
Je voeten staan stevig op de grond. Eerst nog naast elkaar, maar na een slag of vijf licht gespreid. Je vangt de slagen van mijn riem goed op. Ik zie je bilspieren aanspannen en weer ontspannen. Je kreunt. Ik zie hoe je met gesloten ogen, je voorhoofd rustend op het tafelblad, af